Een vlammend bedrijfsuitje
HR 9 november 2007, LJN: BA7557, C05/305HR
Essentie
Tijdens een bedrijfsuitje gooien werknemers lampolie op een nog
hete barbecue. Het partycentrum waar het bedrijfsuitje plaatsvindt,
brandt af. Het partycentrum stelt vervolgens een schadevordering in
tegen de betrokken werknemers en hun werkgever(s).
Hoewel het gaat om activiteiten die buiten het kader van de gewone
bedrijfsvoering vallen, wordt toch functioneel verband aangenomen
tussen de gedragingen van de werknemers en de gebeurtenis die tot
de schade heeft geleid. Het verwijt dat aan de leidinggevende die
niets deed om de gedragingen van werknemers te verhinderen, kan
worden gemaakt, speelt hierbij een rol. De risicoaansprakelijkheid
van de werkgever voor gedragingen van zijn ondergeschikten strekt
zich ook uit over dit geval. Voor zover vast komt te staan dat de
werknemers aansprakelijk zijn voor de schade, zijn hun werkgevers
eveneens aansprakelijk.
Feiten
In een partycentrum vond een bedrijfsfeest plaats waarbij in totaal
21 personen aanwezig waren. De groep bestond uit de feitelijk
leidinggevende (en directeur) van twee vennootschappen (X) en uit
werknemers van (een van de) vennootschappen met hun levenspartners.
Het gezelschap had eerst gebowld en daarna werd in het partycentrum
gebarbecued op een gasgestookte barbecue. Bij de barbecue waren
tafels geplaatst met daarop onder andere olielampjes gevuld met
lampolie. Aan de middelste tafel zaten enkele werknemers en X. Na
de maaltijd gooiden twee of meer personen lampolie op het nog hete
barbecuerooster, hetgeen vlammen veroorzaakte. Hierdoor ontstond
direct een brand die grote schade veroorzaakte aan de gebouwen en
de inrichting van het partycentrum. De brandverzekeraars van het
partycentrum keerden bijna zes miljoen gulden uit.
Rechtbank
Het partycentrum startte twee afzonderlijke gedingen tegen 1) de
vennootschappen en hun directeuren (hierna: de vennootschappen) en
2) de betrokken werknemers en vorderde vergoeding van schade voor
zover deze niet door de brandverzekeraars was gedekt. Vervolgens
werden zes vrijwaringszaken gestart. Onder meer riepen de
vennootschappen en hun aansprakelijkheidsverzekeraar V de
werknemers in vrijwaring op en riepen de werknemers de
vennootschappen in vrijwaring op. De rechtbank behandelde zowel de
hoofdzaken als de vrijwaringszaken gevoegd. Tijdens een comparitie
van partijen in alle zaken werd overeengekomen het debat vooralsnog
te beperken tot de vraag of (een van) de vennootschap(pen) als
werkgever(s) van de betrokken werknemers op de
voet van artikel 6:170 BW aansprakelijk waren voor de schade van
het partycentrum. Veronderstellenderwijs werd er van uitgegaan dat
de schade het gevolg was van een fout van (een of meer van) de
werknemers. De rechtbank oordeelde bij tussenvonnis dat onvoldoende
functioneel verband aanwezig was tussen het werknemerschap en de
tot schade leidende gebeurtenis, zodat de vennootschappen niet in
hun hoedanigheid van werkgever(s) aansprakelijk waren. De rechtbank
bepaalde dat tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis
openstond.
Gerechtshof
De werknemers zijn in hoger beroep gekomen tegen het tussenvonnis.
Het hof nam meerdere feiten en omstandigheden in overweging en
oordeelde, anders dan de rechtbank, dat er wél relevant verband
bestond tussen het werknemerschap van de betrokken werknemers en de
schadeveroorzakende gedragingen. Het hof liet onder meer meewegen
dat het om een jaarlijks bedrijfsuitje ging dat geheel was
georganiseerd en betaald door de vennootschappen, dat de aanwezigen
een bovengemiddelde hoeveelheid alcohol hadden gedronken en dat
degenen die aan de middelste tafel zaten - waaronder X - elkaar
hadden opgejuind om lampolie op de barbecue te gooien. Dat deelname
aan het feest niet tot de taak van de werknemers behoorde en dat er
ook geen (morele) verplichting bestond tot deelname, nam niet weg
dat werknemers aanwezig waren vanwege hun werknemerschap en dat het
bedrijfsfeest in het belang was van de saamhorigheid in het
bedrijf, aldus het hof. Alle betrokkenen traden bovendien als een
zekere eenheid naar buiten en mochten ook als eenheid door het
partycentrum worden beschouwd. Het hof overwoog verder dat X in de
beleving van de werknemers ook tijdens het bedrijfsuitje een zekere
zeggenschap over hen had. Nu niet was gebleken dat X heeft
geprobeerd te voorkomen dat olie op de barbecue werd gegooid, maar
het er juist op leek dat deze mede daartoe had aangezet, was
daardoor de kans op schade vergroot. Het hof oordeelde dat de
vennootschappen aansprakelijk waren voor de schade, als zou komen
vast te staan dat deze het gevolg was van een fout van (een of meer
van) de werknemers. Het hof bepaalde dat tussentijds cassatieberoep
van zijn arrest openstond.
Hoge Raad
De vennootschappen hebben cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad
laat het oordeel van het hof dat de vennootschappen als werkgevers
aansprakelijk zijn voor de gedragingen van de werknemers, in stand.
De Hoge Raad oordeelt dat voor de beantwoording van de vraag of
voldoende functioneel verband bestaat, gekeken moet worden naar
alle relevante omstandigheden. Niet alleen het tijdstip en de
plaats van de gedragingen, de aard van die gedragingen en de
(eventuele) aan de werknemers ter beschikking gestelde middelen,
maar ook andere omstandigheden kunnen van belang zijn. De Hoge Raad
noemt hierbij expliciet de eventuele verwijten die een
leidinggevende - formeel of materieel bevoegd tot het uitoefenen
van zeggenschap - gemaakt kunnen worden. De Hoge Raad oordeelt
vervolgens dat het hof op goede gronden heeft geoordeeld dat het
vereiste functioneel verband tussen dienstbetrekking en schade
aanwezig is. De Hoge Raad overweegt dat het feit dat de onderhavige
fout buiten werktijd werd gemaakt, op een andere plaats dan waar de
werknemers normaal gesproken hun taak verrichtten en dat die fout
geen verband hield met de bedrijfsuitoefening van de
vennootschappen of met aan de werknemers ter beschikking gestelde
zaken of middelen, hier geen verandering in brengt. De Hoge Raad
verwerpt het cassatieberoep.